| Kwesties & andere zaken
| Artikelen



afb. 34
| Is the sky the limit of de museumdrempel
| Musea moeten samenwerken
| Toekomst van de musea ligt bij de rollator
| De yeepies in het museum


Musea moeten samenwerken
(15 januari 2001, NRC Handelsblad)

Vernieuwing Rijksmuseum moet deel uitmaken van een museaal masterplan.

De aanstaande vernieuwing van het Rijksmuseum in Amsterdam moet worden ingebed in een masterplan voor alle hoofdstedelijke musea, zodat een einde komt aan de reeksen initiatieven en plannen voor de museumwereld die niet op elkaar zijn afgestemd, meent Rob van Zoest.


In zijn toespraak tijdens de nieuwjaarsbijeenkomst van het Stedelijk Museum, de Mondriaan Stichting en het Instituut Collectie Nederland prees de directeur van de Mondriaan Stichting, Melle Daamen, de trend van schaalvergroting en internationalisering die hij over de landsgrenzen waarneemt. Zo gaat de Tate Modern in Londen nauw samenwerken met het MoMa in New York.

Binnenkort 'debatteren' maar liefst 180 mensen in de Amsterdamse Beurs van Berlage over de plannen voor het Nieuwe Rijksmuseum. Er bestaat een plan op hoofdlijnen waarvoor het kabinet reeds het belangrijkste deel van de benodigde fondsen fourneerde. Het is een trend: een nationaal dictee, een nationale nieuwsquiz en dan nu een nationaal debat met 180 deelnemers, onder wie 80 genodigden uit het museale veld.

Een kleine 500 meter verderop vindt tegelijkertijd in Felix Meritis een openbaar debat plaats, waar iedereen die graag in de besloten burcht van Berlage had gezeten, maar niet door de ballotage kwam, zijn mening over het Nieuwe Rijksmuseum kan geven. Het schijnt dat de buitenlandse pers in groten getale naar Amsterdam komt om dit ultieme voorbeeld van het zo bewonderde poldermodel voor het voetlicht te brengen: Think local, act global.

Intellectueel Nederland praat de komende weken alleen over de invulling van het Nieuwe Rijksmuseum. De plannen  betreffende het Rijksmuseum moeten echter deel uit maken van een masterplan, waarin een visie wordt neergelegd op museaal Amsterdam, op de Collectie Nederland.

De komende zes jaar zal in Amsterdam door het rijk, de gemeente, de fondsen en het bedrijfsleven een slordige 800 miljoen gulden worden uitgetrokken om alle nieuwbouw, verbouw en nieuwe inrichtingsplannen voor de musea en aanverwante instellingen te verwezenlijken. Behalve het Rijksmuseum, zullen ook de bijna verouderde plannen voor het Stedelijk Museum worden uitgevoerd. Het verpleeghuis Amstelhof zal worden omgetoverd tot een heuse Hermitage aan de Amstel. In het Joods Historisch Museum, het Scheepvaartmuseum en het Amsterdams Historisch Museum ondergaan de vaste opstellingen een ingrijpende metamorfose en is sprake van uitbreidingen of dťpendances. Om nog maar te zwijgen van de plannen voor de uitbreiding en ingrijpende renovatie van het Gemeentearchief aan de Amsteldijk, die meer dan 100 miljoen gulden kosten. Plannen en mogelijke locaties voor een fotomuseum en het Filmmuseum hangen boven de stad. Een kunsthal of museum voor hedendaagse kunst aan de zuidas is een wens. Ook in Amsterdam Zuidoost moet iets museaals gaan gebeuren, is een veel gehoorde kreet.

Al die initiatieven en plannen varen een geheel eigen koers. Hier en daar wordt wat getoetst of veel geld betaald voor allerhande haalbaarheidsonderzoeken. Deze procedures hebben in het zeer recente verleden geleid tot wat vandaag de dag als probleemkinderen in de museumfamilie worden gezien. Wat moet iemand bijvoorbeeld met NewMetropolis, recentelijk omgedoopt tot Nemo en als instituut te vergelijken met de Titanic? Rembrandt heeft zijn huis aan de Jodenbreestraat terug, maar wacht zuchtend en steunend op de veelbelovende inrichting van de vertrekken.

De Beurs van Berlage lijdt al jaren een moeizaam, cultureel bestaan en zakt letterlijk weg in de op die plek gedempte Amstel. Ook aan het moerassige Museumplein valt de komende jaren het nodige leed te wachten. Waarschijnlijk is alleen het Van Goghmuseum tussen 2003 en 2006 in het museumkwartier geopend, en kunnen de drommen toeristen zich vooral vergapen aan de bouwputten rondom de vertrapte en ernstig verloederde museumweide.

Er is weinig geleerd en door iedereen wordt nog steeds driftig voor de eigen parochie gepreekt. Eens in de zoveel jaren mag een buitenlandse cultuurautoriteit een paar weken door cultureel Amsterdam struinen en zijn bevindingen in het zoveelste rapport neerleggen. Het zijn soms zinnige opmerkingen, maar het zijn bevindingen achteraf; het is mosterd na de maaltijd. Vooruit denken en samenwerken: dat moeten de sleutelwoorden worden. Nog niet internationaal, een beetje nationaal, maar vooral eerst lokaal. Niet vanuit zelf gecreŽerde vorstendommetjes of vanuit deelraden, maar vanuit een grootsteedse optiek met oog voor synergie, schaalvergroting en verbetering van efficiency. Vanuit een luchtballon het museale landschap op die paar vierkante kilometer aanschouwen, moet tot verhelderende denkbeelden leiden en de noodzakelijke visie voor geheel museaal Amsterdam opleveren.

In de mand van een ballonvaarder kunnen geen 180 mensen plaatsnemen, hooguit een stuk of vier. De aanwezigheid van 36 luchtballonnen tegelijkertijd boven de stad is in strijd met de regels voor de luchtvaart en zal zonder meer tot ongelukken leiden. De ontwikkeling van zo'n stedelijke visie moet dan worden overgelaten aan een paar competente lieden zonder hoogtevrees. Een groep die zich gesteund weet door een moedig en genereus bestuur, dat zich niet laat hinderen door de benauwde financiŽle stadsgrenzen, en over voldoende zakdoeken beschikt om de tranen van de teleurgestelde museumadel te drogen.

Het Rijksmuseum en al die andere prachtige Amsterdamse instellingen werken dan daadwerkelijk samen, wisselen collectieonderdelen of hele afdelingen uit, versterken elkaar, sluiten of fuseren, ontplooien activiteiten, spreiden risico's en delen investeringen en kosten. Het niet onbelangrijke Amsterdamse deel van de Collectie Nederland wordt dan in samenhang gepresenteerd met oog voor de stedelijke infrastructuur, en is wellicht klaar om grensoverschrijdend aan de gang te gaan.

Rob van Zoest is kunsthistoricus en directeur van Kunsthistorisch bureau D'ARTS.